Optische parameters

Optische parameters

Golflengte

Optische straling

1. Golflengte λ

De verspreiding van licht kan met de elektromagnetische golflengtetheorie worden beschreven. De lengte van de top van een lichtgolf tot de top van de volgende is de golflengte λ.
Het gebied van de optische stralen (100 nm - 1 mm) behelst ultraviolet (UV), het zichtbare licht (VIS) en infrarood (IR). De golflengten van het zichtbare licht bevinden zich tussen de 380 en 780 nm. Om een bepaalde kleur van het zichtbare licht te beschrijven, wordt de golflengte in lucht aangegeven.


Refractie-index n

Refractie van licht in de lucht / grensvlak van het glas

2. Refractie-index n

De refractie-index n van een brillenglas wordt bepaald door de verhouding tussen de snelheid van het licht in lucht en de snelheid van het licht in glas.

Door de lagere snelheid van het licht in glas ondergaat het licht bij een scheef invallende hoek een richtingsverandering. Deze richtingsverandering noemt men breking van het licht. Hoe hoger de refractie-index van het materiaal des te meer de lichtsnelheid wordt gereduceerd en des te sterker het licht wordt gebroken. Brillenglazen met een hoge refractie-index hebben dus een sterke lichtbreking.

meer
sluiten


Transmissie

Reflectie, absorptie en transmissie

3. Reflectie, absorptie en transmissie

Het licht dat op een brillenglas valt wordt, wanneer het door het brillenglas heengaat, altijd zwakker ten gevolge van reflectie aan de grensvlakken en absorptie in het glasmateriaal.


Reflectie

Reflectie met loodrechte inval van licht

Reflectie ρ

De reflectiegraad is de verhouding tussen het gereflecteerde licht en het licht dat op het grensvlak van twee optische media valt. Wordt de reflectiegraad vermenigvuldigd met 100, dan krijgt men de hoeveelheid gereflecteerd licht in procenten. Glas van een antireflecterende coating, d.w.z. ontspiegeling, vermindert de hoeveelheid gereflecteerd licht en verhoogt zodoende de lichtdoorlaatbaarheid oftewel de transmissie van het brillenglas.

Absorptie en transmissie

Absorptie α en transmissie τ

Absorptie α

De afzwakking van het licht wanneer dit door een brillenglas heengaat heet absorptie en is afhankelijk van het materiaal. Hoe donkerder een brillenglas is, des te hoger is de absorptiegraad.

Transmissie τ

Transmissie betekent lichtdoorlaatbaarheid. De transmissiegraad van een brillenglas is de verhouding tussen invallend en uittredend licht. Bij een ontspiegeld brillenglas is de transmissiegraad, vergeleken met een niet-ontspiegeld brillenglas, hoger.

Lichtreductiegraad

Lichtreductiegraad

De som van reflectie en absorptie is de lichtreductiegraad. In de optiek is de lichtreductie een belangrijk getal, dat in procenten aangeeft hoe donker het brillenglas is.

meer
sluiten
Dispersie

Dispersie

4. Dispersie

Ledere kleur, aangegeven door de golflengte in lucht, heeft een eigen snelheid waarmee deze door een brillenglas heengaat. Hoe korter de golflengte, des te langzamer is de snelheid van het licht in het glas. Daardoor wordt kortgolvig blauw licht sterker gebroken dan langgolvig rood. Voor rood, groen en blauw licht worden verschillende refractie-indexen aangegeven.

Bij de lichtbreking op een lens vindt, op grond van de verschillende refractie-indexen van iedere kleur, een spectrale uiteenval plaats van het witte licht in zijn gekleurde bestanddelen. Dit verschijnsel noemt men dispersie of kleurverstrooiing.

De hoofddispersie Δn geeft het verschil aan tussen nF’ en nC’.

Bij de refractie-index voor optische hulpmiddelen wordt steeds de hoofdrefractie-index ne genoemd.

 

meer
sluiten
Abbe-getal

Refractie-index en Abbe-getal

5. Abbe-getal v

Om de dispersie-eigenschappen van een brillenglas aan te geven dient het Abbe-getal. Dit getal geeft de verhouding aan tussen de hoek δe en de hoofddispersiehoek δF’C’ .
Een laag Abbe-getal betekent een sterke dispersie. Het Abbe-getal mag niet lager dan 30 zijn, om storende kleurschiftingen bij het kijken door het randgebied van een brillenglas te vermijden.


Hoe hoger de refractie-index n, des te:

  • hoger de reflectiegraad ρ
  • hoger de hoofddispersie Δn
  • lager het Abbe-getal v
  • lager de transmissiegraad τ
Abbe-getal
meer
sluiten

6. Sterkte F

De sterkte F is de in meters gemeten omgekeerde brandpuntsafstand. De sterkte van een brillenglas wordt, net als de sterkte van een optisch werkzaam vlak, in dioptrieën (dpt) aangegeven.

Het brekend vermogen van een vlak wordt bepaald door het verschil in refractie-index van twee media in verhouding tot de krommingsradius van dat vlak. Beide vlakken, F1 en F2 , leiden, rekening houdend met de middendikte t tot de sterkte F van een brillenglas.

Sterkte F

Parameters voor het bepalen van de sterkte

7. Topsterkte F’n

In de brillenglasoptiek wordt niet alleen de sterkte F, maar ook de topsterkte F’n gebruikt om de sterkte van een brillenglas aan te geven. Dit is de omgekeerde afstand in meters tot de binnenkant f’n van het brillenglas.

Met een focometer wordt de topsterkte van een brillenglas gemeten.

Eigenvergroting S

8. Eigenvergroting S

Het beeld op het netvlies van een oog dat door een brillenglas wordt gecorrigeerd heeft een andere grootte dan het netvliesbeeld van een oog dat geen correctie nodig heeft een emmetroop oog (normaal oog) van dezelfde lengte.Dit verschil in beeldgrootte hangt onder andere van de eigenvergroting van het brillenglas af.
De eigenvergroting is de verhouding tussen topsterkte en sterkte. Bij een brillenglas met een bepaalde dikte is er verschil tussen sterkte en topsterkte (F ≠F’n). De eigenvergroting S is dan groter dan 1 (S > 1). Een denkbeeldig oneindig dunne lens heeft een eigenvergroting van 1 (S = 1). Dat betekent dat alleen voor een oneindig dunne lens F’n = F is.

Deze website maakt gebruik van cookies. Cookies zijn kleine tekstbestanden die door websites op uw computer opgeslagen worden. Cookies worden veelvuldig gebruikt en helpen webpagina's met een geoptimaliseerde weergave en het verbeteren daarvan. Door gebruik te maken van onze webpagina's gaat u daarmee akkoord. meer